Afneembaar fietskrat

Afneembaar fietskrat

“Is ie van z’n geloof gevallen?” Dat zou zomaar een opmerking kunnen zijn van elke willekeurige persoon die me een beetje kent. Zij die me beter kennen, weten dat dit toch niet de kwestie is

Mijn fietskrattenhaat komt vooral voort uit de vraag om niet asociaal te zijn in de openbare ruimte. Die ruimte verschilt sterk. Een fietskrat in een fietsenrek in een drukke en krappe stad is rete-asociaal. Sommigen proberen de fiets-met-krat andersom in het rek te plaatsen. Dit is marginaal en levert weinig verbetering op. Anderen parkeren helemaal niet in het rek, en dat levert ook vaak onwenselijke situaties op. Conclusie: een geparkeerde fiets-met-krat-in-de-stad is aso. En dat terwijl zo’n ding soms echt heel handig is. 

Lange tijd zocht ik naar praktische, minder ruimtevretende de oplossingen, maar die passen dan weer niet op mijn fiets. Of ze zijn ook onhandig. Fietstassen bijvoorbeeld, zeker de vaste versie, heel onhandig in een fietsenrek.

Vroeger, toen moeder-de-vrouw met een afneembare rieten mand voorop fietste… Heel praktisch. Helaas heb ik dus een rare fiets waar niets normaals oppast. Wel heb ik een aparte, maar wel smalle, voorbagagedrager. Zo past ie in ieder geval in een rek.

Dat laatste ding had ik al van alles mee geprobeerd. Plankje met spanbanden, elastieken een spin, you name it. Al vaker dacht ik: als je er nou gewoon wat op kunt zetten dat dan vastklikt en je er toch weer makkelijk af kunt halen? Mooie gedachten, nooit uitgevoerd. Tot nu.

De noodzaak steeds vaker vrij zware dingen vrij ver te vervoeren per fiets en de hoge temperaturen die het dragen van een rugtas nogal onprettig maken, zorgden voor een doorbraak in mijn persoonlijke impasse. Eerst een test met een bierkrat, bevestigd aan een houten stellage die precies over mijn bagagedragertje past. Herinneringen aan een geel dingetje, ooit door Heineken uitgegeven toen kratten nog geel waren, die je op je bagagedrager kon zetten zodat je je bierkrat achterop kon zetten kwamen bij me op. Geen idee waarom dat niet meer bestaat trouwens. Maar goed, terug naar míjn kratsysteem. 

Nodig: een decoupeerzaag, schroeven, de benodigde schroevendraaier en wat creativiteit. Een oude Workmate als werkbank was ook praktisch.

Ideaal om zware meuk te vervoeren

Het functioneerde uitstekend! Eerst had ik nog het idee om het oude verweerde bierkrat te ontdoen van de afzonderlijke vakken voor de 24 pijpjes bier, maar dat leek me toch net onhandig. Bovendien zouden de gaten in de bodem veel te groot zijn. Toen gebeurde het: ik kocht een fietskrat, speciaal daarvoor gemarket bij de lokale fietsenwinkel.  Detail: er past precies, heel praktisch, een bierkrat in. 

Vervolgens monteerde ik het krat op het houten onderstel dat zijn nut al bewezen had bij het pilskrat en… nu heb ik dus een makkelijk afneembaar krat waardoor geen fietsenrekken worden geteisterd met weer een nieuwe ruimtevreter erbij in de buurt.

En het moet gezegd: wat ontzettend handig zo’n ding! Nu nog dit de standaard maken: smalle voorbagagedrager, anders zet het nog steeds geen zoden aan de dijk, en afneembaar krat!

(Het leverde me ook ooit een ‘laatste woord’ in het Parool op:
Tijd voor een handige stadsfiets

Het elektrische-fiets-wel-of-niet-dilemma

Het elektrische-fiets-wel-of-niet-dilemma

De stad zonder fiets kan ik mij niet voorstellen. Je bent in no-time van A naar B. Bijna alles is onder de twintig minuten te fietsen en je past overal tussendoor. Dit betekent dat ik vrijwel elke dag in totaal minstens zo’n dertig tot veertig minuten fiets, iets tussen de vijf en acht kilometer per ritje, dus dat maal twee. Dat doe ik vrij rap op een stadsfiets-met-terugtraprem-maar-wel-met-snel-verzet (ik meen 15 in plaats van 16 tandjes achter, dan ga je nét iets sneller dan de rest). Ander voordeel is dat ik niet van sport hou en daar dus praktisch niet aan hoef te denken, fietsen en een verder vrij actieve levensstijl doet zijn werk.

Soms fiets ik verder. Binnen de ring van Amsterdam, maar wel bijna de maximale afstand. Zo’n veertig minuten enkele reis, 35 met alle stoplichten op groen en wind in de rug. Eigenlijk net niet prettig met een versnellingsloze stadsfiets, zeker als je ook nog te veel spullen meesleept op je rug en een onhandig opgehangen tas aan je stuur. Het is niet onoverkomelijk voor een keertje, maar als het dan een paar keer per week wordt. Twijfel. Als het ook nog stevig waait, dan is de lol er snel af.

“Neem een elektrische fiets” zeggen mensen dan. Vaak heb ik eraan getwijfeld, tot ik onlangs vijf minuten op zo’n ding zat. Dat ging wel heel erg makkelijk… zoefvvv… en je bent de brug op. De tegenwind lijkt niet te bestaan. Geniaal. Heerlijk zou ik het zelfs willen noemen. Het gemak. Je ziet jezelf probleemloos 30 kilometer fietsen naar oorden waar je anders OV of een auto naartoe zou nemen. Aan de andere kant doe ik dat net zo makkelijk op de racefiets, die heeft alleen weer andere nadelen. 

Beweeg je eigenlijk wel met zo’n elektrisch apparaat? Daar ben ik nog steeds niet helemaal uit. Sommige ervaren e-bike-berijders zeggen dat het er inderdaad voor zorgt dat je alsnog naar de sportschool moet. Anderen zeggen dat je de trapondersteuning gewoon niet zo hoog moet zetten. Allen zijn het er wel over eens: je beweegt minder. 

Een bijna duivels dilemma, al is het vooral een luxeprobleem. En geld, gratis zijn ze over het algemeen niet.

Hoog tijd eens bij een fietsenmaker naar binnen te stappen, gespecialiseerd in elektrische fietsen en prachtige supersnelle ‘gewone’ fietsen. “Moet ie altijd buiten staan?” vraagt hij, om vervolgens zelf het antwoord al te geven. “Ja zeker hè.”

“Eh, ja inderdaad”, antwoord ik. “Even naar boven tillen is geen optie, behalve als je een keer langer weg bent misschien.” Ik ken mensen in huizen met tuinen en zo, die hebben dan én een racefiets én een gewone fiets (vaak met versnellingen) én een elektrische voor de lange afstand naar de stad of wat dan ook. Dat is voor mij als stadsbewoner op 3-hoog toch anders. Eens in de zoveel tijd sleep ik, niet geheel van harte, mijn racefiets naar beneden. De man van de fietsenwinkel is duidelijk: “Elektrische fietsen zijn niet heel goed in altijd buiten staan. Eigenlijk zijn ze daar niet voor gemaakt.” Ook niet echt een aanbeveling. Ik opper nog Vanmoof, de fiets die ik in de 2011-versie nog steeds rij zonder elektrieke hulpmotor. Die vindt hij eigenlijk maar niks, al worden ze wel langzaam een stukje beter volgens hem. Vooral mijn fiets is totaal uit verhouding. Tja, klopt ook wel, mijn houding is wel wat krommig. Als ik op een fiets zou fietsen met versnellingen en een goede houding, zou ik volgens hem ook helemaal geen elektrische ondersteuning nodig hebben. Omdat ik soms racefiets, weet ik dat dit zomaar eens waar zou kunnen zijn.

Stel, ik zou een tweede fiets overwegen, elektrisch of sport-zonder-elektromotor,dan moet die ook beneden in het rek. Naast de vraag: ‘houdt ie het dan ook jaren uit’? Is het ook een beetje aso, het is hier immers nogal vol in de rekken, tel daar een paar van die onuitstaanbare fietskratten bij op en er past geen fiets meer bij. Dan de gewone stadsfiets eruit? eh, nee, liever niet. En ook steeds dat zeurende stemmetje in mijn achterhoofd over die onontbeerlijke beweging waardoor ik niet hoef te sporten. Een bijna calvinistische luiheidsangst grijpt me aan. Lastig, ik ben van alles, maar religieus kun je me niet noemen. 

Misschien moet ik het probleem anders bekijken. Benoem waar het om gaat: langeafstandsvervoer per fiets binnen de ring van Amsterdam. Dit betekent: vrijwel alleen maar stadswegen, geen lange afstanden waar je goed kunt doortrappen. Veel slecht wegdek, veel wegafsluitingen, veel hobbels. Misschien wel ideaal met een e-bike in verband met optrekken. Een paar kilometer is wel goed genoeg voor hogere snelheid, maar is dat voldoende? Wat rechtvaardigt dat ik een batterij voor mijn gemak moet laten maken om daarmee iets lichter vooruit te komen dan nu? Draag ik zelf niet ineens bij aan iets waar ik een beetje een hekel aan heb? Die vermaledijde snelle e-bikers met als summum-van-haat mijnerzijds de fatbikes? Is er niet een betere oplossing? Gewoon een goede fiets mét versnellingen? Dan blijf je ongemerkt aan je conditie wekken en zul je waarschijnlijk comfortabeler fietsen dan ik nu doe op die 12 jaar oude Vanmoof met enkel (maar snel) verzet.

Inmiddels weer het voorbagagedragertje erop gezet, geheel vergeten dat die nog ergens lag

Begrijp me overigens niet verkeerd, ik denk dat op veel plekken in de wereld e-bikes ideaal zijn. Toen ik in San Francisco ooit op een motorloze huurfiets die bergen in die stad op probeerde te fietsen begreep ik dat mensen op veel plekken op deze wereld echt pas gaan fietsen als ze trapondersteuning hebben. Stuk beter dan de auto. Maar die gebruik ik nu ook al niet voor ritten binnen de stad (daarbuiten ook nauwelijks trouwens).

Lijkt het er nu op dat ik mijzelf toch naar een volledig door menskracht voortbewogen fiets toe beredeneerd heb? Je zou het eigenlijk gewoon eens willen proberen, maar ik zie niet helemaal gebeuren dat ik even een paar fietsen voor de deur zet om dat ook daadwerkelijk te doen. Fietstests van organisaties als de ANWB en Consumentenbond lijken zich alleen maar te richten op oude van dagen, dus daar heb je ook niks aan. Wat wil ik eigenlijk? Oh ja, daar begon ik mee. Ik wil: blijven bewegen en toch comfortabeler fietsen. Daarnaast wil ik ook met minder problemen veel meuk meeslepen, zonder dat je een bakfiets nodig hebt. Maar een fietskrat is uit den boze omdat het een ruimtevreter is in de stad. Een rugtas is prima, maar als het warm is zweet je je de pleuris. Het idee van die ouwe Vanmooffiets van mij was ooit dat het een perfecte stadsfiets zou zijn, nou ja, aangezien ik hem al bijna 12 jaar gebruik laat wel zien dat ie dat wel is. Toch zou ik opteren voor een nieuw soort stadsfiets, eentje die nét iets meer kan maar wel in elk fietsenrek past. Zelf ontwerpen dan maar?

De kunst van het nadenken of hoe je karton tot handzame stukjes kunt verwerken

Men neme een moment om de doosvorm te bekijken om te weten hoe het karton bij elkaar gehouden wordt. Is dit a) met plakband? b) met lijm? In geval a: men neme een mes of ander scherp voorwerp en snijdt het plakband door. In geval b: men trekke de doos met de handen bij de plakranden los. Vervolgens bekijkt men het totale formaat en of dit wel of niet goed in de opening van een papier- en kartoncontainer past. Past dit niet goed? Dan maakt men het geheel kleiner door c) vouwen of d) scheuren, knippen of snijden in kleinere stukken. Tijdens het in een container plaatsen van het goed, let men op of het geheel inderdaad goed naar beneden valt. Is dit niet het geval, helpt de verpakkingsmateriaalweggooier het geheel een handje door een combinatie van noeste hersengymnastiek, logisch nadenken en uiteindelijk een korte fysieke handeling om het karton de weg naar beneden te helpen vinden.

Dat waren verdomd veel woorden voor iets heel erg simpels, althans op het eerste gezicht. Hoe vaak is het niet het geval dat de uitpuilende papiercontainer met wat duwen van de voet in de bovenste opening ineens helemaal leeg blijkt te zijn? Vaak. Heel vaak. Net weer een grote lading naar beneden geduwd. Ding verder praktisch helemaal leeg. Gelukkig is het weer zover nu ik een uur later naar buiten kijk: iemand heeft in de onderste zogenaamde ‘kartonklep’ het een en ander naar binnen geduwd en blijkbaar besloten dat het niet meer past. Deze ouwe achter het raam zittende man weet vrij zeker dat dit niet het geval kan zijn (update na schrijven van dit hele verhaal: iemand anders heeft de verleiding niet kunnen weerstaan en het probleem opgelost).

Je zou iedereen verplicht op stage kunnen sturen in een winkel of andere omgeving waar veel met dozen gewerkt wordt om te leren hoe je makkelijk een doos vouwt of uit elkaar haalt. Maar come on, het is echt geen rocket science. Het is gewoon ultieme luiheid en een totaal onbenul als het gaat om het woordje ‘samenleving’.

Het is werkelijk bijzonder om te zien hoe mensen die probleemloos duizenden euro’s voor een joekel van een tv of een elektrische fiets neertellen, die dingen in grote dozen aan de deur afgeleverd krijgen en daarna de doos achteloos op straat slingeren, het liefst voor de bak zonder enige moeite om het erin te krijgen. Als er adressen opstaan, kun je er nog langsgaan en het aldaar voor de deur zetten of aanbellen en eens zien wat voor vlees je eigenlijk in je buurtkuip hebt.

De grote vraag die blijft staan is, waar komt dit gedrag vandaan? Hoe kan het dat niemand verantwoordelijkheid neemt voor het stukje stad waar men woont? En zelfs de mensen die dat wel doen, lijken op dat vlak zeer onverschillig als het om de papiercontainer gaat.

Tot een paar jaar geleden zat er een klein eetcafé vlak naast onze lokale vuilnisbelt. Dat scheelde, want de eigenaar hield structureel een oogje in het zeil. Nadat hij door constant personeelstekort besloot te stoppen, kwam er een 100-in-een-dozijn-koffietent met verder vriendelijk personeel. Het is alleen niet hún tent en hoe de omgeving eruit ziet lijkt ze weinig te interesseren.

Is dit niet anders op te lossen? Je zou schijnoplossingen kunnen gaan gebruiken, zoals vaker schoonmaakwagentjes langssturen of een soort van flitsbedrijf beginnen met een naam waar iets als carton removers in verwerkt zit om het direct lekker internationaal te maken, voor je het weet heb je een unicorn-status.

De rot zit vermoedelijk veel dieper. We weten ons geen raad met de hoeveelheid spullen die we steeds maar willen hebben. We zijn totaal overstuur. Nadenken hoeft bijna nooit meer, apps doen het wel voor je. Je hoeft niets meer zelf te kunnen, laat staan een stukje karton vouwen of kleiner maken. Je zou d’r bijna een professional voor laten langskomen, inclusief handtekeningen om eventuele liabilties af te kopen, ook wel aansprakelijkheid in het Nederlands.

Iets meer samen. Dat zou fijn zijn. En ja, ik geef toe dat het niet heel makkelijk gemaakt wordt met dat afstand houden…

Kapotte e-bike

Geofencing als redding voor de elektrische fiets (in Nederland)

De elektrische fiets maakt het er voor niemand in de stad makkelijker op. Ze zijn, bestuurdersafhankelijk, te snel voor het fietspad en te traag voor de weg waar auto’s rijden. Het maakt iedereen chagrijnig en met de rappe toename van ‘flitsbezorgers’ is het feest helemaal compleet, zoals ook Thijs Niemantsverdriet onlangs concludeerde in NRC.

Uiteraard, de e-fiets of e-bike is een zegen voor velen, zeker buiten de stad. Het maakt ineens fietstochten van 40 kilometer een eitje. Woon je in een stad met échte heuvels en bergen, daar kan geen gewone derailleur tegenop. Alleen is het grote verschil met stedelijke omgevingen met bergen en de onze * dat hier fietsen al vele decennia volstrekt normaal is en elders het veelgebruik van de fiets juist zorgt voor een nieuw dagelijks vervoermiddel of een nieuwe vervoersmodaliteit. 

Wat is dan het probleem in een stad als Amsterdam? Heel veel kleine dingen die allemaal samen te vatten zijn onder de noemer ‘ruimte’. Het komt er simpelweg op neer dat zolang de grootste ruimtevreter zijn plek blijft opeisen, de auto, de komst van andere, sneller-dan-de-fiets-of-voetganger-vervoermiddelen slecht passen.

Laten we het nog een stapje kleiner maken. Het Vondelpark is, naast een mooi park, een belangrijke doorgaande fietsroute in de stad. Er mogen geen auto’s, brommers of snorfietsen doorheen. Dit zorgt ervoor dat het een prettig park is om te fietsen en te wandelen. De enkele racefietser die er fietst, doet dat meestal niet op hoge snelheid: het is vooral een uitvalsweg naar buiten de stad waar de racefietser zich naar hartenlust kan vermaken met hoge snelheden. Alleen sinds enkele jaren suizen steeds meer elektrisch gemotoriseerde apparaten door het park heen. En nee, dat zijn niet voornamelijk oude van dagen die op deze manier nog vooruit komen op de fiets, het zijn vooral snelle VanMoofs, Cowboys en opgevoerde fatbikes, van die dingen die eruit moeten zien als een chopper en vooral een angstaanjagend rolgeluid van de banden produceren. En een enkele flitsberzorger niet te vergeten. 

Zeker nu met het herfstige weer en veel blad op de grond is een beetje controle over de fiets wel prettig. Die controle voel je prima op een fiets waar je zelf trapt, maar als je geholpen wordt, dan verandert dat al snel. Het zorgt voor grote snelheidsverschillen en chagrijn van beide kant: de een gaat te langzaam, de ander te snel. 

Om te voorkomen dat we binnenkort allemaal onszelf in volledig beschermende kleding moeten hullen om nog een beetje rond te kunnen fietsen, lijkt het me handig te gaan zoeken naar oplossingen. De ebike verbieden? De gewone fiets eruit? Helmplicht? De auto eruit? 

Die laatste is natuurlijk de beste: een zee van ruimte komt er vrij en elk gek elektriek vervoermiddel met maten die beduidend kleiner zijn dan de huidige auto kan dan ineens los in de stad. Maar dat is een ijdele hoop. Maximaal 30 km/h in de stad voor de auto lijkt het meest haalbare nu. De andere drie wil je eigenlijk gewoon niet.

E-bikes verbieden is een heilloze weg, al zouden mensen misschien eens twee keer moeten nadenken over zo’n ding: ineens moet je tóch naar de sportschool, want je beweegt natuurlijk nog nauwelijks. Fatbikes zouden gewoon een brommerplaatje moeten krijgen, kunnen ze die tenminste gewoon legit opvoeren, en dan? Al die andere fietsen? De een kan maar tot 20 km/h meehelpen, de ander is opgevoerd en ‘ondersteunt’ makkelijk tot 40 km/h? 

Geofencing

Op een avond tussen allemaal onverlichte hardlopers in een pikdonker deel van het Vondelpark bedacht ik: wat als we nou eens beginnen met geofencing? Een systeem waarbij de motor van een ebike bijvoorbeeld automatisch wordt uitgeschakeld of teruggeschakeld naar maximaal 15 km/h trapondersteuning? Dan weet je een paar dingen zeker: de e-bikes die beduidend sneller gaan dan ‘gewone’ fietsen gaan te hard omdat ze iets gesaboteerd hebben en je hoeft niet te gaan handhaven op het werkelijke vermogen of de maximum snelheid van de e-bikes. 

Beeld: gegenereerd door Imajinn

Geofencing werkt maar een kant op. Er worden geen gegevens uitgewisseld, het is gewoon een gebied dat bestreken wordt door een bepaald signaal en binnen dat gebied doet de motor het gewoon niet of slechts tot max. 15 km/h. Net als bij FM-radio: de zender weet niet dat jij naar het station luistert. Geen privacy in geding dus. Het wordt overigens ook al toegepast in parken in de Verenigde Staten waar vooral deelstepjes een drama zijn: ze komen het park niet in, de motor valt simpelweg gewoon uit.

Er zitten uiteraard nog wat kinks in de kabel qua uitwerking van zo’n idee, voornamelijk: e-bikebouwers moeten het inbouwen en er moet een universeel systeem voor zijn, maar beter nu mee beginnen dan over 10 jaar wanneer het aantal e-bikes vele malen groter is. Om te beginnen lijkt het Vondelpark me een mooi gebied voor een proef.

* behalve dan een enkele stad in het zuiden des lands en een enkele (fiets)brug

Blockdam Copernicus Amsterdam Berlage

Breekbaar werk als tokenverzamelaar

Is it Copernicus‘ is een glazen bol met daarin een inmiddels al lang disfunctioneel minicomputertje. In de loop van de tijd verzamelt het werk steeds meer waarde, iets dat er alleen maar uit te halen is door de bol te vernietigen en de geheime sleutel uit het minicomputertje te ontfutselen. Verleidt dit nu juist om te vernietigen of om te koesteren? Waar staat dit eigenlijk voor? Wat is het eigenlijk? Waaróm is het er eigenlijk?

Die laatste vraag is het simpelst: het ontsproot aan het brein van Maarten Smakman om blockchaintechnologie uit te leggen of in ieder geval zichtbaar te maken. De bol moet mogelijkheden laten zien en die ook vooral laten onderzoeken. Dat is ook nodig, want we zitten met een nieuw concept met blockchains en aanverwante zaken. Dat concept is lastig in de ‘oude’ taal uit te leggen. Dat vraagt om iets anders. En wat is die bol dan? Is het kunst? Is het een verzekeringspremie? Moet het ding zelf beschermd worden? Kunnen we de glazen bal laten ‘leven’ in een online wereld door andere tokens naar zijn publiek zichtbare token-adres te sturen? Moet ie in een museum? Leert zo’n fysiek ding hoe een decentrale, onzichtbare wereld functioneert? Is het iets voor studenten filosofie om hun hoofd over te breken? Leert de bol iets over speltheorie? Juist iets over wet- en regelgeving? Over hoe je smart contracts in elkaar moet zetten? Leert het iets over cryptografie? Over ethereum? Over bitcoin? Over minicomputertjes à la de Raspberry Pi? Of gewoon over hoe we kunst in de toekomst digitaal kunnen beveiligen?

Dit is geen project om nu al ellenlange traktaten over te schrijven. Het is nog een onderzoek, een lopend experiment. Over deze proef maakte ik een podcast waarin al die begrijpelijke en onbegrijpelijke vragen langskomen. Beluister hem op SoundCloud of hieronder:

De bedenker Maarten en ik kennen elkaar van Blockdam, een wekelijkse offline meetup in de Beurs van Berlage in Amsterdam, nou ja, buiten coronatijd dan. De groep die wekelijks langskomt is in basis vrij constant en trekt ook altijd weer nieuwe gezichten, mensen die willen leren over blockchain-technologie en aanverwante zaken. De groep is breed geïnteresseerd. De een is zeer kritisch op alles dat niet-bitcoin is en de ander vindt dat je het allemaal niet zo smal moet bekijken.

Dit project heeft alles te maken met decentrale systemen en vooral om te onderzoeken hoe we daar als mens mee om kunnen gaan. Ze lijken op een bepaalde manier ook veel meer op onze biologische leefwereld waarin niets centraal geregeld is. Het leuke aan het project voor mij is dat het ook mensen van buiten de vaak vrij gesloten techwereld trekt. Dit geeft andere inzichten en misschien komen we er op den duur gewoon achter dat het eigenlijk niets is, maar ook dat is wat waard.

Technisch is de bol al wat waard, want de 21 unieke tokens die ‘door’ de bol zijn gegenereerd, kost(t)en per stuk een halve ether (de munteenheid van het ethereum-netwerk). Er zijn nog een paar over en de veiling van de Copernicus-tokens eindigt op 17 februari 2021 om 9:32 CET. Mochten ze niet allemaal verkocht zijn, dan kan iemand ooit nog iets met die tokens doen, tenzij de bol vernietigd wordt.

Hoe werkt dat? De bol is van glas, die is geblazen in een glasblazerij. Het computertje werd in de bol geplaatst vlak voordat de bol gesloten werd. Aan de Raspberry Pi Zero, zo heet zo’n computertje, hangt een batterij krachtig genoeg om de Raspberry lang genoeg van energie te voorzien om alle taken uit te voeren om deze Copernicus-tokens te maken. Dat mocht pas gebeuren nadat de bol dicht was, anders zou iemand die nieuwe geheime sleutel kunnen hebben en altijd bij de waarde in de bol kunnen. Die geheime sleutel werd dus pas gegenereerd nadat de bol dicht was! Via een wifi-verbinding zijn de Copernicus-tokens, in feite NFT’s1, vervolgens naar de decentrale ethereum-blockchain ‘gestuurd’ en op de veiling geplaatst. Kopers ‘verplaatsen’ die token vervolgens naar hun eigen publieke adres waarvan alleen zij de geheime sleutel hebben. Verwarrend? Valt wel mee, heel veel dingen op internet gebruiken een vergelijkbaar systeem, alleen weet je het niet.

Nu is het leuke dat de kopers van die tokens het geld in de vorm van ether of ETH naar het publieke adres van de Copernicus-bol sturen: je kunt dus wel zien hoeveel ether er in de bol zit, maar je kunt er nooit bij, tenzij…

Al met al een gek project. En dat is maar goed ook!

1 NFT = Non-fungible token, een unieke token die niet deelbaar is, in tegenstelling tot fungibiele tokens zoals geld.

Het Medusa-hoofd van Gian Lorenzo Bernini (rond 1640), in bruikleen van de Musei Capitolini.

Rijksmuseum na lockdown

Tussen 10:00 en 10:15 konden we het Rijksmuseum betreden. Binnengaan, een voor een, op anderhalve meter afstand. “Hoe voelt u zich vandaag?” vraagt een jonge suppoost. Goed. Prima, niks aan de hand. Treed binnen. Scan je eigen tijdslotkaartje en museumjaarkaart in een apparaat waarin een geprint kaartje eigenlijk niet goed past.

’s Lands schatkamer van voorbije eeuwen is weer open voor publiek, 2 juni 2020 weer voor het eerst. De tentoonstelling ‘Caravaggio – Bernini, Barok in Rome’ is er nog. Ik wilde er eigenlijk de laatste dag voor de lockdown naartoe, maar besloot niet te gaan omdat ik me niet prettig voelde bij het idee met honderden mensen opgehokt te staan in een tentoonstellingszaal. Grappig dat ik nu een van de eersten ben die weer mag genieten van al dat moois.

Rijksmuseum vlak na 'intelligente lockdown' in Nederland
Rijksmuseum vlak na ‘intelligente lockdown’ in Nederland, foto 31 maart 2020

Ondanks dat we een vroeg tijdslot hebben, staat er toch een rij bij de entree van de tentoonstelling zelf. Een andere suppoost zei al: kijk anders eerst even in de eregalerij! Maar nee, dat is te min hè, dat is voor toeristen. Dus een half uur wachten, want dat is waar we voor kwamen; het beroemde licht van de agressieve Italiaan, het gehak in marmer van de lieveling van meerdere Pausen, hun tijdgenoten en volgelingen.

Onwennig, minstens twee meter afstand houdend staan we in een op het eerste gezicht nog korte rij. Dat bleek bedrog, want voordat je bij de Philipsvleugel bént, ben je nog zeker vijftig meter onderweg.

Het wachten gaf de mogelijkheid eens heel goed naar alles te kijken. Wat voor wandcontactdozen het Rijks nu eigenlijk heeft, maar ook naar de normaal onopvallende ornamentjes tot voor het eerst eens goed bekijken wat voor Renaissancemuur in de Philipsvleugel staat. Of het bestuderen van de houten trap naar de eerste verdieping, het kunstwerk Shylight van Studio Drift, het porselein in de vitrines en uiteindelijk de tentoonstelling zelf.

Velen luchtig gekleed en toch ‘een bepaald type’ dat daar rondstruinde. In doodse stilte bewoog iedereen zich om elkaar heen in een wonderlijke en krampachtig aandoende dans. Toch ben ik er zeker van dat ik anders nooit de kop van Medusa van Bernini zo uitvoerig en langdurig had bestudeerd als nu. En inderdaad, een magistraal beeld dat weergeeft het moment waarop Medusa van mooie blonde vrouw verandert in een monster met slangenhaar.

De tentoonstelling zelf staat vol met extreem uitgewerkte borst- en andere beelden, prachtige barokke schilderijen en veel meer, maar dit is geen recensie van de tentoonstelling, dit is kijken naar de mensen. De werknemers van het Rijks. Allemaal blij, bijna verlicht.

‘Een vat van vluchtende zielen’, Tu Wei-cheng

Zo sprak ik kort met twee medewerkers van de Caravaggio – Bernini-shop en het geluk straalde er vanaf. Gewoon weer bezig zijn met bezoekers, mensen die nog niet helemaal weten hoe ze nou elkaar moeten ontwijken, Hoe lang ze naar een kunstwerk kunnen kijken zonder dat té lang te doen. En gewoon weer een gesprek met andere mensen. Andere individuen.

Nog even via de Waller-collectie gegaan met prachtige prenten (veel meer tijd voor nemen, komt binnenkort), nog een vluchtige blik in het Aziatisch Paviljoen waar ook nieuwe werken te zien zijn, zoals ‘Een vat van vluchtende zielen’ van de Taiwanese kunstenaar Tu Wei-cheng en het begin van fotografie in Indonesië.

En dan, dan naar de eregalerij. Die plek waar je normaal niet komt. Te snobistisch? Te veel toeristen? Nou, nu niet. Praktisch geen ziel te bekennen, behalve de suppoosten en de onderzoekers aan de Nachtwacht in hun glazen kooi, of eigenlijk ‘Operatie Nachtwacht‘.

Voor het eerst kun je zonder mensen die kleine Vermeers op centimeters afstand bekijken. En de Van Steens, die moet je sowieso centimeter voor centimeter langsgaan om alles te zien.

’t Voelde als een incourante maandagochtend, maar dan de hele dag. Een vreemde gewaarwording, maar een dikke aanrader aan eenieder die nu tijd wil maken om eens de werken te bekijken waar je normaal misschien van denkt: ja, die kennen we wel. Maar ken je ze wel in het echt?

ps, dit geldt natuurlijk voor alle musea in het land die open zijn, pak dat momentje!

Bomen in Amsterdam

Bomen in Amsterdam

Een van de leukere ontdekkingen die ik de afgelopen tijd deed, was de online kaartfunctie van de gemeente Amsterdam. En nee, ’s lands hoofdstad is niet de enige met zo’n systeem, maar ik woon er nou eenmaal.

Van al die verschillende interessantere kaarten is de bomenkaart op dit moment voor mij het interessantst, ik wandel immers heel wat af. Praktisch elke boom op gemeentegrond is opgetekend in dit systeem met Nederlandse boomnaam, boomnummer, soortnaam, boomtype, boomhoogte, plantjaar, eigenaar en beheerder.

De kaart is te vinden op maps.amsterdam.nl/bomen en zo leer je al snel dat er niet een soort iep in de stad staat, maar heel wat verschillende soorten. In de buurt van mijn kantoor aan de Wibaustraat vinden we al de gewone iep, Hollandse iep, veldiep en Huntindon-iep. Maar ook de gewone plataan, kersen, zomereiken, dubbelbloemige paardenkastanjes, lijsterbessen, Canadese populieren, gewone esdoorns, valse acacia’s. Nou ja, ga zo maar door.

De oude begraafplaats Huis te Vraag vlakbij de Schinkel blijkt ook een verzamelplaats van meer dan overgroeide grafstenen. De vele verschillende kleuren stippen laten al duidelijk zien dat de verscheidenheid aan begroeiing groot is. Niet alleen dubbelbloemige paardenkastanjes, maar ook een witte paardenkastanje, ruwe, papier-, en zachte berk (ik had geen idee van het verschil), taxus’, beuken bruin en groen, lindes. Veel.

Locatie Huis te Vraag, bron: maps.amsterdam.nl

De gemeente heeft uiteraard ook een eigen verhaal. 270.000 bomen staan geregistreerd dus lang niet alles. Het Amsterdamse Bos staat in de Gemeente Amstelveen, dus daar zijn niet alle 150.000 bomen geregistreerd, al zijn de bomen wel weer van Amsterdam. In totaal schat de gemeente dat er één boom per inwoner is.

Rondstruinen met die kaartfunctie op je mobiel maakt ook je directe leefomgeving weer een stukje interessanter. :)

Wibautpark, links dubbelbloemige paardenkastantje, midden is onbekend en rechts een zomereik
Allard Pierson

Allard Pierson in verbouwing

Herinneringen zijn er om te koesteren en soms wil je ze herbeleven, zoals het struinen langs de vitrinekasten in het Allard Pierson met de ontelbare kleine en grote artefacten uit het verre verleden. Dat kan niet meer. Dat is, net als mijn herinneringen, gelukkig verleden tijd.

Allard Pierson
Beeld: via Allard Pierson

Na de perspresentatie over de nieuwe tentoonstelling ‘Bes, kleine god in het Oude Egypte‘, raakte ik nog even in gesprek met Wim Hupperetz, de directeur van het Allard Pierson, over de verbouwing en de andere inzichten rond het tentoonstellen van objecten die inmiddels al in enkele zalen hebben geleid tot een veel toegankelijkere opstelling dan die uit het verleden. We raakten aan de praat over hoe het museum er vroeger uitzag en ook over het feit dat ik niet de enige ben die daar nog steeds prettige herinneringen aan heeft. Herinneringen aan de in schemerlicht gehulde ruimtes, de krakende vloeren, de honderden objecten die overal en nergens opgesteld stonden. De kartonnetjes met daarop kleine, vergeelde papiertjes geplakt waarop met hamertypemachine de naam en overige objectinformatie getikt was. Maar ook de gipszolder, de plek met afgietsels van een paar honderd beelden uit het Oude Egypte, Oude Griekenland en de Romeinse tijd. Beelden die je anders nooit met eigen ogen in hun werkelijke vorm kon aanschouwen omdat ze elders in musea stonden of al lang verdwenen. Je kwam daar overigens niet zonder speciale begeleiding, in mijn geval met mijn docenten tekenen van de middelbare school.

Dat alles is gelukkig veranderd. De gipszolder wordt toegankelijk voor publiek vertelde Hupperetz, en in het verleden gesloten doorgangen en trapopgangen worden weer of zijn al weer geopend. Een kleine blik achter de schermen en een korte rondleiding langs de al vernieuwde zalen op de eerste (of tweede? dat is altijd lastig met souterrain-achtige verdiepingen) verdieping met ramen die niet verduisterd zijn, laten een opstelling zien die veel toegankelijker is dan vroeger en daarmee ook veel interessanter.

Er zijn mensen die zweren bij de oude manier van opstellen, en als je mijn nostalgische gevoelens zou meenemen kun je denken dat ik daar ook naar zou smachten. Toch is dat niet zo. De reden dat ik de oude opstelling leuk vond, kwam omdat ik ooit het museum binnen kwam met mijn docenten als verhalenvertellers. We liepen wel langs al die opstellingen met al die kaartjes, maar zij stonden stil bij slechts enkele objecten en vertelden vervolgens een verhaal. Een verhaal waardoor je daar een extra gevoel bij kreeg en je het daarom tien of twintig jaar later nog steeds leuk vind om langs diezelfde kasten te lopen, maar wat moeten al die mensen dan zonder goede verhalenvertellers of zonder geïnteresseerde medebezoekers? Heel weinig inderdaad.

Van verhalen moeten we het hebben en die verhalen worden gemaakt door wetenschappers met kennis van zaken, kennis over hoe dat verleden vermoedelijk in elkaar zat. Wetenschap die ook steeds weer een beetje bijgesteld wordt bij nieuw vergaarde kennis. Wat dat betreft is het mooi dat die verhalen steeds toegankelijker tentoongesteld worden. Ik ben heel benieuwd hoe het museum in zijn voltooide vorm zal overkomen, maar ook onaf is het nog steeds prettig, zoals de semi-permanente opstelling in het souterrain over de zeventiende eeuw, cartografie en de ontwikkeling van de exacte wetenschappen.

Bes, een Egyptische god voor alledag

Bes, een Egyptische god voor alledag

Een huis-tuin-en-keukengod met een uitgestoken tong, dikke buik, meestal naakt, getooid met verenkroon en soms een luipaardvel, af en toe met grote piemel maar zonder groot verhaal. Daar hoor je over het algemeen weinig over. Dat kan ook anders, dacht het Allard Pierson Museum samen met enkele andere Europese musea.

Dansende Bes, foto: Allard Pierson

We kennen allemaal de Egyptische elitecultuur, de bekende afbeeldingen en standbeelden van farao’s en goden als Re (ook wel Ra), Isis, Osiris en Horus. Statig, onbewogen en strak. De ‘huisgod’ Bes doet hier niet aan mee en laat zien dat het leven van alledag gaat over plezier maken, kinderen krijgen, enge monsters verslaan, de erotiek beschermen, drinkgelagen en wat al niet meer waar je bescherming of ondersteuning voor nodig hebt.

Bes heeft geen groot verhaal en komt in veel verschillende gedaanten voor en is in die zin niet voor een gat te vangen, vandaar dat de Egyptologie al deze op elkaar lijkende figuren Bes genoemd heeft. De vrouwelijke vorm heet Besset.

De tentoonstelling in het Allard Pierson neemt de bezoeker mee langs verschillende gedaanten van de huisgod en geeft er een eigen draai aan door ons direct te verwelkomen met een animatiefilm die laat zien dat het figuur nog steeds prima in te passen is in onze hedendaagse omgeving. Als stripfiguur doet Bes het ook goed.

Een van de grootste objecten in de tentoonstelling is een replica van een kraambed. Dit bed heeft zes poten en de poten zijn allen in de vorm van een Bes-figuur. Dat is niet zo vreemd, want Bes beschermt ook de bevallende vrouw. Het bed is gemaakt naar voorbeeld van bekende afbeeldingen hoe een kraambed er uitzag. Achter het bed staan in een aparte vitrine nog twee echte poten.

Veel van de figuurtjes zijn blauw of laten nog resten zien van blauwe verf, gebruikt om het kwaad af te weren. Niet alleen de blauwe kleur moet het kwaad keren, ook de uitgestoken tong is afschrikwekkend voor demonen.

Zijn dwergvorm is wat vreemd en doet denken aan mensen met dwerggroei. Dit is symbolisch, want baby’s die geboren werden met dwerggroei overleefden het vaak niet. Zij die het wel overleefden kregen in het latere leven over het algemeen een hoge status in de Egyptische maatschappij.

Een veelvoorkomend voorwerp in de tentoonstelling is de zogenaamde stèle, een tablet van steen of hout met een daarin uitgehouwen of uitgesneden voorstelling om speciale plaatsen te markeren. Stèles kwam je ook veel tegen bij de mensen thuis, onder andere om zich te beschermen tegen slangen en schorpioenen. Door het veelvuldig aanraken van de stèle op een specifieke plek, door de god te ‘aaien’, hebben de meeste stèlae een afgesleten plek. Een mooie stèle in de tentoonstelling laat Toetoe als sfinx zien die vecht tegen Bes. De sfinx heeft een rammenkop in zijn nek, een cobra als staart en messen op de poten om aan te geven dat hij zich niet makkelijk gewonnen zal geven. Bes bevecht dit alles met een zwaard.

Een van de tentoonstellingsruimtes is speciaal gericht op het feestbeest Bes. Een bekend verhaal in de Egyptische mythologie gaat bijvoorbeeld over de ‘verwijdering en verzoening’ tussen de zonnegod Re en zijn dochter Hathor. Hathor houdt van muziek, drank en feest en vlucht na een ruzie met Ra naar Nubië. Om haar terug te halen, verleidt Bes haar met drank en muziek, waarna Bes dienaar van Hathor is geworden. Zo zijn er beeltenissen van Bes te vinden met een dubbele fluit en met biervaatjes. Wellicht is het niet zo vreemd dat feesteiland Ibiza heet zoals het heet: Ibiza is afgeleid van Bes.

Na het feestbeest komt de ‘peepshow’ langs. Hier is Bes’ fallus nog een stuk aanweziger dan anders, tot en met kloppende aders toe. Soms moet Bes echter in dubbelvorm de fallus van een ander ondersteunen. De erotische kant van de god en ook van Besset wordt hier in ieder geval niet onder stoelen of banken geschoven.

Maar niet alleen in Egypte was de god populair. Buiten Egypte vind je dus overblijfselen op Ibiza en ook in Soedan, dat vroeger bij Egypte hoorde. Ook in het huidige Italië kom je Bes tegen en dat is niet zo vreemd, aangezeien de Romeinen hem probleemloos omarmden nadat Egypte bij het Rijk ingelijfd was, zo kom je Bes onder andere tegen op de wapenrusting van Romeinse centurio’s.

In totaal gaat de tentoonstelling over meer dan 4000 jaar aan Bes(achtige) afbeeldingen, te beginnen in het Oude Rijk (vanaf 2543 voor Christus) tot de Romeinse periode 284 na Christus. Hiermee krijgen ook wij als gewone mensen een beter beeld van het Egypte van alledag. Misschien vinden sommigen dat jammer en houden ze het liever bij piramides en grote paleizen waar nog wat resten van overeind staan, ik vind dit in ieder geval een welkome aanvulling.

Het is een fijne kleine tentoonstelling waardoor de Egyptenaar van weleer misschien dichter bij de ‘gewone mens’ komt te staan. Een groot deel van de stukken in de tentoonstelling komt uit de collectie van het Allard Pierson, maar ook uit de musea die meewerkten aan de tentoonstelling, namelijk het Museum August Kestner in Hannover en de NY Carlsberg Glyptotek in Kopenhagen. Ook zijn er stukken uit Khartoem in Soedan, uit Aberdeen, uit Leipzig en uit Hildesheim.

Wie al een tijdje niet in het museum is geweest, zal zien dat de oude vitrinekasten met kleine witte kaartjes niet meer op de eerste verdieping staan en dat hier nu de ontvangstruimte is. Boven op de tweede verdieping is al een deel van de collectie uitgestald op andere wijze en de ramen aan de voorzijde zijn open. Volgend jaar juni moet het af zijn, ik ben in ieder geval benieuwd hoe het geheel er uit gaat zien.

De tentoonstelling loopt van 18 oktober 2019 tot en met 8 maart 2020

Alle foto’s, behalve de Dansende Bes, zijn gemaakt door mijzelf

Biro voor Soho House in Amsterdam (heel veel haat!)

De Biro en twitterhaat

Woensdag 13 maart was er een interessante fittie richting Biro’s (van die kleine elektrische wagentjes) op twitter. Ik snap het wel, het zijn irritante, snelle, kleine, handige, wendbare karretjes die alom op de stoep worden gegooid en zo veel ergernis opwekken. Ook racen ze vaak overal tussendoor, ook op fietspaden, en zorgen zo regelmatig voor dubieuze situaties. Vaak zit er ook nog een jong ding (m/v) in dat waarschijnlijk prima kan fietsen. Een prachtige cocktail om chagrijnig om te worden. Oh ja, ze zijn ook nog eens duur.

Dat waren mobiele telefoons ook ooit lang geleden. Je was een patser als je zo’n ding bij je had, laat staan er ook nog mee belde. Belachelijk. Iedereen herinnert zich het filmpje uit 1999 waar Frans Bromet de ‘normale’ mens vraagt naar zijn mening.

Biro voor Soho House in Amsterdam (heel veel haat!)
Biro voor Soho House in Amsterdam

Nu heeft iedereen een smartphone, op een enkele persoon na die door velen voor zonderling uitgemaakt wordt. Vaste lijnen zijn inmiddels praktisch verdwenen en bestaan alleen nog in getal omdat internetaanbieders vaste aansluitingen koppelverkopen met hun diensten.

Wederom naar de Biro. Laten we een stap terug doen en even afstand nemen. Wat zijn de grootste ruimtevreters op de weg in de stad? Juist. De auto (ook de elektrische), het bestelbusje, de vrachtauto en de touringcar. Die laatste drie daar klagen velen regelmatig over, maar die eerste lijkt er steeds goed vanaf te komen.

Auto’s, in hun huidige vorm, zijn duur. Nieuwe bijna altijd veel duurder dan een Biro of een ander ‘gek’ (elektriek) voertuigje. Ze zijn rete gevaarlijk. De reden dat er stoplichten zijn en andere dwingende verkeersregels hebben vooral te maken met die grote jongens (m/v) op de weg. Door strenge regels racen de meeste auto’s niet overal tussendoor, maar je moet ze de kost geven.

Ze worden overal neergezet. Op de stoep, half op de trambaan, op het (niet)-vrijliggende fietspad. Ook nemen ze idioot veel ruimte in en hoe nieuwer de modellen, hoe groter en grover ze zijn en nemen dus nog meer ruimte in. Het zijn werkelijk meer dan achterlijke apparaten voor in de stad, zeker ons type oude binnenstad (de meeste Europese binnensteden wel te verstaan).

En toch. Toch ben ook ik eerder boos op die nieuwe, kleine, handige apparaatjes. Daar zit misschien een stukje jaloezie bij, maar voor het grootste deel zit ik ook hartstikke vastgeroest in een wereldbeeld dat ruim een halve eeuw oud is, namelijk dat de auto in zijn huidige vorm een vervoermiddel is dat recht heeft in de stad.

Met de komst van allerlei ‘slimme’ vervoersmiddelen zou die heilige koe er ook eens aan moeten geloven. Laat haar buiten de stad in de wei staan en jump in iets dat wel bij de stad past. Dit klinkt als een P+R-verhaal (het idee dat je de auto buiten de stad parkeert en met een bus of iets dergelijks de stad in gaat), iets dat met de huidige techniek extreem goed zou kunnen werken.

Paar zaken die dan nodig zijn: alle vervoersmiddelen die door meerdere mensen te gebruiken zijn moeten te allen tijde locaties doorgeven en bereikbaar zijn. Dit hoeft ook geen privacyprobleem te vormen, want alle datastromen hoeven niet gekoppeld te worden. Daar zouden wetten voor moeten zijn. Vervolgens verban je de grootste ruimtevreter de stad uit.

Uiteraard is en blijft het mogelijk met een vergunning (tijdelijk) de stad met een auto binnen te komen, niemand kan of wil een grote kast verhuizen of een huis verbouwen met een bakfiets.

Voor de rest laten we voortaan de auto aan de rand van de stad en gaan met een tram, bus, metro, kabelbaan of fiets de stad in. Of met een WitBiro natuurlijk.